Maakt sporten gelukkig?

Maakt sporten gelukkig?
Deze vraag is niet zomaar met “ja” of  “nee” te beantwoorden. Tussen ja en nee zit een heel groot grijs gebied, met ruimte voor vragen als: “wat is gelukkig” en “om hoe vaak sporten gaat het.”

Als je sport komen er endorfinen vrij, ook wel  het gelukshormoon genoemd. Diezelfde endorfinen komen ook vrij als je lekkere seks hebt, en/of chocolade eet. Bij sporten en seks verbruik je calorieën. Bij het eten van chocolade ook,  maar dat aantal staat niet in verhouding tot het aantal calorieën dat je binnenkrijgt. Van chocolade eten word je dus tijdelijk gelukkig, en als het op is krijg je spijt en word je juist ongelukkig.
 
Maakt sporten gelukkig?
Sommigen zullen die vraag  volmondig met “ja” kunnen beantwoorden.  Dat zijn de mensen die sporten leuk vinden. Daarom worden ze er ook gelukkig van. Er zijn ook mensen zoals ik. Die vinden sporten niet leuk. En daarom worden ze er ook niet gelukkig van. Waarschijnlijk hebben zij, net als ik, een sportief jeugdtrauma opgelopen. Als zevenjarig, spichtig kind kreeg ik een blauw elastisch gympakje met de letters GVM op de rug. Gymnastiek Vereniging Mijdrecht. Het pakje was te groot, het elastisch vermogen ervan werd niet benut,  en het hing lubberend om mijn lijf. In die tijd werden om  economische redenen alle kleren en schoenen “op de groei” gekocht, dan had je er langer plezier van. Van het gympakje had ik geen plezier. Dat lag niet aan het pakje, maar aan de gymnastiek vereniging. Ik wilde er niet heen, maar ik moest. Voor mijn eigen bestwil. Het was goed voor me.  Iedere woensdagmiddag joeg juffrouw Bep ons het wandrek in, of bedacht kwellende oefeningen met paard, bok, touwen of ringen. Handstand overslag, brug met ongelijke leggers, evenwichtsbalk……  Tegen de tijd dat het gympakje begon te passen waren we ettelijke huilbuien en een paar jaar verder, en mocht ik eindelijk van de gym af.  Volgens juffrouw Bep had ik niet veel talent en miste ik de motoriek om met plezier te kunnen sporten.

De Lagere Scholen deden in die tijd ook nog hun best om kinderen sportief bezig te laten zijn. Tweemaal per week was daar de gymnastiekles. Achteraf douchen was niet aan de orde. Eerst omkleden in een naar zweetvoeten ruikende kleedkamer, en dan opstellen in een lange rij. Kleintjes vooraan, langere kinderen achteraan. Ik was klein, en mocht dus alles het eerst doen terwijl de rest van de klas met leedvermaak toekeek. Soms bleven de martelwerktuigen gewoon achter het grijze gordijn, en deden we een balspel. Dan werden twee kinderen uitverkoren om de leider van het team te zijn, en mochten ze om beurten een klasgenootje bij zich roepen om het team te versterken.  Vooraan staan hielp dan niet, ik bleef altijd als laatste over. Samen met Corrie, die één lang en één kort been had.  Ik werd heel ongelukkig van die bende schreeuwende en door elkaar heen hollende kinderen, die met trefbal probeerden om de tegenstanders zo hard mogelijk te raken.  Als de bal mijn kant op kwam sloeg ik mijn handen voor mijn ogen, hield mijn adem in en verroerde geen vin. Daarmee had ik de garantie dat ik hoe dan ook vol geraakt zou worden, dan was ik áf en moest ik op de bank langs de kant gaan zitten. En dát leverde dan toch weer een stukje geluksgevoel op!
 
Inmiddels is dat jeugdtrauma wel verwerkt. Het lubberende gympakje van vroeger heeft plaats gemaakt voor kleding waarvan het elastisch vermogen tot het uiterste benut wordt. En daarmee dient zich een  nieuw probleem aan: het spiegeltrauma. Met kleding aan kan ik soms van mijn spiegelbeeld wel vrolijk worden. Als ik mezelf na het douchen in de spiegelwand zie komen er andere gevoelens boven drijven: Spijt dat ik de warme kraan niet langer heb laten lopen, zodat het spiegelglas voorlopig beslagen blijft. Verwondering over de voortschrijdende aftakeling. Verbijstering over de toename van putten, vlekken en vetrollen.

Met enige regelmaat snor ik dan sportkleding, schoenen en De Tas weer op uit de kast en maak ik ijverig gebruik van roeiapparaten, loopbanden en allerhande buik-rug-bil en armspierapparaten. Ik vind het nog steeds niet leuk, en ik word er nog steeds niet gelukkig van, maar het resultaat van die inspanningen is na een paar weken al zichtbaar en voelbaar. Weer wat strakker in het vel, de conditie is iets opgekrikt, en ik hoef niet meer zo te schrikken van mijn spiegelbeeld. En daar word ik dan wél gelukkig van.
 
Maakt sporten gelukkig?
Ja, eigenlijk dus wel. Sommigen ervaren dat direct al tijdens het sporten, en voor de mensen die dat gevoel missen is er het indirecte geluksgevoel, de tevredenheid achteraf, het moe-maar-voldaan gevoel. In feite is het net zoiets als het spreukentegeltje dat vroeger bij mijn tante boven de deur hing: “Visite brengt steeds vreugde aan; is het niet bij ’t komen, dan wel bij ’t gaan!”
 
Selma.