Beroepskeuze

“Wat wil jij worden als je groot bent?” is een vraag die iedereen minstens één keer in zijn leven gehoord heeft. Je hebt mensen die op de kleuteracademie al weten wat ze later willen worden. Brandweerman, verpleegster…. keus genoeg.
 
Ik wist het toen ik zes jaar was: dierenarts!
Mijn vriendinnetje was een dochter van de plaatselijke veearts, ik was daar kind aan huis. Ik zorgde voor aanvoer van patiënten door zielige vogeltjes en gewonde kikkers naar Oom Bram te brengen, die hij uit liefde voor mij voorzag van een pleister of een spalkje. Als ik de volgende dag kwam kijken hoe het met de patiënt ging was die altijd al genezen en naar huis terug gevlogen of gehuppeld. Oom Bram was een echte veearts, hij hield van paarden, koeien, varkens en schapen. Voor cavia’s en kanaries waren zijn handen eigenlijk veel te groot.


 
In die tijd werden kleine huisdieren niet zo snel als nu naar een dierenarts gebracht. Veel vaker kwam het voor dat de telefoon rinkelde en één van de boeren in de wijde omgeving hulp nodig had met een ziek paard, een kreupele koe of een schaap in nood. De boeren konden heel goed zelf voor het vee zorgen, en belden pas als het helemaal fout dreigde te gaan. Oom Bram was kort van stof. Hij luisterde naar de boer, zei “ja”, “nee” en “ik kom eraan”. Als hij de hoorn weer op de telefoon legde zei hij meestal “húfter!” Mijn vriendinnetje en ik stonden dan al naast de auto, waarvan de achterbank bezaaid was met allerlei veterinaire gereedschappen. Spuiten, tangen en niet nader te definiëren voorwerpen. “Kijk uit waar je gaat zitten”, was de boodschap en vervolgens reden we over de landweggetjes naar de  boerderij. Als er biggen ingeënt moesten worden was dat feest. Wij mochten dan de biggetjes vangen en naar Oom Bram brengen. Helpen met lammetjes die geboren moesten worden was meestal ook leuk, behalve als de lammetjes in kwestie het niet overleefden. Drama als het een koe niet lukte om te kalven – daar kwam soms een heleboel geweld aan te pas, zodat ik gierend van het huilen bij de boerin in de keuken werd gezet voor een glaasje melk met een koekje. Ik huilde ook tranen met tuiten als er een katje afgemaakt moest worden, als er een aangereden hond binnengebracht werd, als er een blind konijntje op de behandeltafel zat. Eigenlijk huilde ik zo veel en zo vaak dat een carrièreswitch onvermijdelijk was.


 
De jaren daarna pendelden mijn gedachten heen en weer tussen piloot (dat is alleen voor jongens!), buschauffeur (dat is alleen voor jongens!),  kapster, stewardess, ballerina en schooljuffrouw, zonder dat er veel overtuiging in de plannen zat. Nadat Meester de Lange op school had voorgelezen uit het boek “Kruimeltje” lag mijn toekomst weer open: ik wilde Moeder van een Weeshuis worden, in een soort co-ouderschap met Henkie, die het wel zag zitten om Váder van een Weeshuis te worden. Ik weet niet waar het fout ging, maar van onze idealen kwam niets terecht.


 
Toen ik vijftien jaar was had ik nog steeds geen flauw idee wat ik later (en later kwam al heel dichtbij) wilde worden. Gelukkig bood de middelbare school een beroepskeuzetest aan voor de twijfelaars. Ik vond het énig om te doen, want ook toen was ik al behoorlijk naïef, dacht niet aan eventuele consequenties en dus stond er geen druk op de ketel. Een dame met stopwatch nam plaats aan mijn tafeltje om de test bij me af te nemen. Ze gaf me allerlei puzzels met houten blokjes, vellen vol papier met cijfers en letters, raadsels en Rorschach vlekken. Na twee weken kwam de brief met de bevindingen van de onderzoekers.  De conclusie die zij uit de testresultaten getrokken hadden was dat ik naar de Middelbare Detailhandels School zou moeten gaan. Met het diploma op zak lag er voor mij een carrière in het verschiet als afdelingshoofd in een warenhuis. Wát een desillusie! Ik kreeg direct visioenen van de dames die ik bij V&D zag lopen in een uniform met een enorm hoog tuttigheidsgehalte. Donkerblauwe rok, donkerblauw vest, streepjesoverhemd met strik, dikke panty. Ik had moeite om mezelf in de rol te zien van een vrouwelijke Captain Peacock, patrouillerend over de afdeling damesmode. Het leek me totaal onwaarschijnlijk dat dát de baan voor mij zou zijn en dus ging het feest niet door.
 
Bleef ik nog steeds zitten met de vraag: “wat wil je worden als je groot bent?”
 
Selma.